| Hamster IUCN-status: Kritiek[1] (2019) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Hamster in de buurt van Simferopol, Krim | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Cricetus cricetus (Linnaeus, 1758) Originele combinatie Mus cricetus | ||||||||||||
| Verspreidingsgebied van de hamster | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Hamster op | ||||||||||||
| ||||||||||||
De (Europese) hamster, wilde hamster, veldhamster, zwartbuikhamster of korenwolf (Cricetus cricetus) is een knaagdier uit de familie Cricetidae. Het dier heeft een robuust lichaam van 20-30 cm lang en weegt 200-650 g, met een stompe kop, korte poten en een rudimentaire staart. Het is de grootste hamstersoort en de enige soort in het geslacht Cricetus. Hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn kleurpatroon met contrasterende donkere en lichte plekken. Zowel het geografische verspreidingsgebied als de relatieve aantallen begonnen in de jaren '60 af te nemen aan de westelijke rand van zijn verspreidingsgebied, en de soort wordt nu beschermd door de Conventie van Bern en de Europese Habitatrichtlijn.[2][3] De gemiddelde levensverwachting is ongeveer twee à drie jaar. Hij komt voornamelijk voor in graslanden, velden, steppen en akkers. In Nederland en België is het een met uitsterven bedreigde soort die zich alleen dankzij fokprogramma's kan handhaven in het zuiden van de Belgische provincie Limburg, de Nederlandse provincie Limburg en Vlaams-Brabant. De hamster heeft 10 paar homologe chromosomen en een paar geslachtschromosomen (2n=22).[2]
Uiterlijk
Het lichaam van de hamster is robuust en zwaar, de grote kop eindigt in een stompe snuit, de poten en de staart zijn kort. De snuit is stomp, met een smalle spleet midden tussen de neusgaten. De ogen zijn middelgroot. De oren zijn lang, halfrond en aan beide zijden behaard. Elke voorpoot heeft vier klauwen en een rudimentaire duim met een afgeplatte nagel. Alle vijf tenen aan de achterpoten zijn goed ontwikkeld en voorzien van klauwen. Er zijn vijf eeltkussens aan elke voorpoot en zes aan elke achterpoot. De vacht op de rug en flanken is geelbruin tot bruinbeige, soms met een roodbruine of geelachtige tint, vooral op de flanken en de stuit. De snuit, de huid rond de ogen en de oren zijn duidelijk roestbruin. De oren zijn geelbruin met witte randen. De buikzijde en de bovendelen van de voorpoten zijn volledig zwart, maar de rest van der poten is wit. De neus, wangen, lippen en kin zijn wit met een streep die van de kin naar de borst loopt, en witachtige vlekken bevinden zich nabij de schouders en aan de zijkanten tussen de zwarte en bruine gebieden. De staart is dof geelbruin. De afdrukken van de voorpoten zijn ongeveer 1,5 cm lang en 1 cm breed, terwijl die van de achterpoten 2,0–3,5 cm lang en eveneens 1 cm breed zijn.[2]
Volwassen hamsters bereiken hun maximale lichaamsgewicht meestal in juni-juli en behouden die vervolgens tot de herfst. Mannetjes worden groter (27-32 cm) en zwaarder (350 g) dan vrouwtjes (22-25 cm, 260 g). Vrouwtjes hebben één paar tepels op de borst en één paar op de buik, en twee paar in de liesstreek.[2]
Vacht
De zachte haren van de vacht zijn gerangschikt in clusters van 5 tot 20 vezels. De ondervacht bestaat uit fijne (diameter = 10–25 μm) en dikkere haren (25–50 μm), die elk in dwarsdoorsnede afgeplat zijn en een korrelige of amorfe structuur hebben. De dekharen (25–30 mm) zijn het dikst (diameter = 60–85 μm) en hebben een ronde of ellipsoïde dwarsdoorsnede. Hamsters ruien één keer per jaar. De snorharen (lengte: 32–65 mm) zijn bijzonder talrijk op de bovenlip, waar ze in 4–5 duidelijke rijen van ongeveer 30 aan elke kant gerangschikt zijn. Daarnaast bevinden zich twee tastharen boven elk oog, één tussen elk oog en oor, en andere op de voorpoten.[2]
Anatomie
- zijaanzicht schedel
- onderzijde schedel
- bovenzijde schedel
- onderzijde voorpoot
- onderzijde achterpoot
De robuuste, zware schedel is licht gebogen, waarbij het achterhoofd onder een hoek van 45° afloopt vanaf de prominente kam die in de lengte over het midden van de hersenpan loopt naar de uitstekende knobbels die van bovenaf zichtbaar zijn. De snuit is zeer zwaar, duidelijk breder dan diep in het midden, de neusbeenderen zijn lang en trapeziumvormig, en de ruimte tussen de ogen is smal. De prominente wenkbrauwbogen lopen naar achteren door tot aan de kam en versmelten bijna met de wandbeenderen, waardoor een groef met verhoogde randen ontstaat. De jukbeenderen zijn zwaar en lopen geleidelijk uit. Het voorste oogkasgat is spleetvormig, breder aan de bovenzijde dan aan de onderzijde. De onderkaak is slank met een opvallend gebogen opstijgend deel en opvallende uitsteeksels. De tandformule van de volwassen hamster is 1.0.0.31.0.0.3 × 2 = 16, dat wil zeggen een snijtand, geen hoektanden en valse kiezen, en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en eveneens in elke helft van de onderkaak. Dit is net als bij de meeste andere Muroidea. .De kronen van de onderste snijtanden (10-12 mm) zijn duidelijk langer dan die van de bovenste snijtanden (4 mm) en reiken tot dicht bij de basis van het ravenbekuitsteeksel. Het kaakgewricht laat alleen voorwaartse en achterwaartse beweging van de onderkaak toe. De kaakverbinding verbeent zelfs bij volwassenen niet, waardoor onafhankelijke beweging van elke kaak mogelijk is. De positie van de bovenste en onderste snijtanden ten opzichte van elkaar kan daarmee sterk variëren. De bovenste kiesrijen lopen naar achteren toe parallel. De kiezen zijn laag met knobbels in parallelle rijen en een diepe groef tussen de buitenste en de binnenste knobbels. Het aantal wervels en hun gemiddelde totale lengte zijn als volgt: 7 halswervels (26,6 mm), 13 borstwervels (63,3 mm), 6 lendenwervels (52,0 mm), 3 wervels zijn vergroeid tot het heiligbeen vormen (21,3 mm) en er zijn 17 staartwervels waarvan lengte en complexiteit steeds verder afnemen. Er zijn 13 paar ribben, waarvan 4 zwevend. Het schouderblad is een relatief dun, compact bot, dat doorschijnend is in het gebied van de gewrichtsgroeven. Het bekken is hartvormig in doorsnede bij de bekkeningang en ovaal bij de bekkenuitgang. Het penisbeen bestaat uit een steel aan de basis en drie volledig verbeende uitsteeksels aan de top.[2]
Aan weerszijden van de wangen, tussen de huid en de kauwspieren, bevinden zich rekbare wangzakken. Elke zak begint bij de lippen en loopt door tot aan het schouderblad. In lege toestand zijn ze 6-7 cm lang en 12-15 mm breed. De retractorspieren ontspringen in het gebied van de voorste lendenwervels en hechten zich vast aan de wangzak nabij het schouderblad, waardoor de wangzakken gemakkelijker geleegd kunnen worden. De slokdarm is 25-30 mm lang. De maag bestaat uit een verhoornde voormaag en een klierrijk gedeelte. De maag weegt 3 g in lege toestand en 10-11 g in volledig gevulde toestand. De darm is 4-5 keer zo lang als kop en lichaam samen, en is bij mannetjes (140 cm, 30 g) langer en zwaarder dan bij vrouwtjes (110 cm, 23 g). De lever is verdeeld in zes lobben en weegt gemiddeld 15 g bij beide geslachten, maar dit varieert per individu. Hamsters hebben geen galblaas. De galbuis ontspringt uit de leverpoort en mondt uit in de twaalfvingerige darm. De nieren wegen elk ongeveer 930 mg. De hoeveelheid niervet is afhankelijk van de individuele voedingstoestand en is met name in de herfst groot. Het strottenhoofd is maximaal 9 mm lang en heeft een buitendiameter van ongeveer 6 mm. De luchtpijp, 30-35 mm lang, splitst zich in een linker bronchus van 8 mm lang met 5-6 kraakbeenringen en een grotere rechter bronchus van 9 mm lang met 6-7 ringen. De longen wegen gemiddeld 2 g met een volume van 2,6 ml bij mannetjes en 0,8 g met een volume van 2 ml bij vrouwtjes. De rechterlong is verdeeld in vijf lobben, terwijl de linkerlong kleiner is en niet in lobben is verdeeld. Het middenrif loopt van de twaalfde rib tot het borstbeen. Het hart is 19 mm lang, 10-11 mm breed en weegt ongeveer 1,45 g bij mannetjes en 1,3 g bij vrouwtjes.[2]
Ontwikkeling
Hamsterjongen worden naakt, blind en met gesloten oren geboren. Hun tenen met klauwen zijn vergroeid, de snorharen zijn al zichtbaar en de snijtanden zijn door het tandvlees heen gebroken. Het geboortegewicht is ongeveer 4-6 gram. Op dag 2 staan de oren rechtop en op dag 4 beginnen de tenen zich te scheiden, begint het haar op de rug te groeien en zich met hun achterpoten voort te bewegen. Op dag 6 beginnen de jongen plantaardig materiaal te eten en op dag 8 kunnen ze achteruit lopen. Op dag 10-11 beginnen ze het nest te verlaten, hoewel de tenen pas op dag 13-14 vrij zijn, de uitwendige gehoorgang zich opent op dag 13-15 en de oogleden op dag 14-15. De jongen komen na 18-25 dagen in het geboortehol bovengronds en worden ongeveer tegelijkertijd gespeend. Het lichaamsgewicht bij het uitkomen was 60-80 gram bij het eerste nest en 100-130 gram bij het tweede nest. De puberteit begint bij mannetjes na 8 weken en bij vrouwtjes na 12 weken.[2]
Verschillen met andere hamstersoorten

De Europese hamster is de grootste soort die wordt gerekend tot de onderfamilie Cricetinae waarbij volwassen dieren een kop-romplengte hebben van 20–30 cm, een staart van 4–6 cm en meestal een gewicht tussen 200 en 650 g, met uitschieters van 1 kg. Samen met het opvallende driekleurige patroon onderscheidt de Europese hamster duidelijk van andere hamstergeslachten. De buikzijde is zwart, maar de kop, rug en flanken zijn roodbruin met lichte vlekken aan de zijkanten. De goudhamster heeft een vergelijkbaar kleurpatroon, maar verschilt door zijn witachtige tot zwartgrijze buik met een dwarslopende zwarte band over de borst. Alle andere soorten (geslachten Allocricetulus, Cansumys, Cricetulus, Phodopus en Tscherskia) hebben een witte of grijze buik en missen de lichte vlekken op de flanken. Met uitzondering van de rathamster zijn ze allemaal aanzienlijk kleiner met een lichaamsgewicht tot 100 g. De rathamster heeft een lichaamsgewicht tot 240 g maar verschilt door een grijze rug en een langere staart van 40-65% van de kop-romplengte.[2]
Taxonomie

De hamster is beschreven op basis van een exemplaar uit Duitsland door Carl Linnaeus in de tiende edititie van zijn bekende werk Systema naturae uit 1758, waarvan zoölogen hebben afgesproken dat dit als het beginpunt van de zoölogische nomenclatuur wordt aangehouden, en hij noemde de soort Mus cricetus. De Duitse natuurhistoricus en geoloog Nathanael Gottfried Leske plaatste de hamster in 1779 een eigen, nieuw geslacht waarvan hij de naam afleidde van de soortnaam van Linaeus en mij creëerde zo de geslachtsnaam Cricetus. In 1972 maakte Robert Kerr een verschil tussen Mus cricetus germanicus en Mus cricetus germanicus niger. De Franse natuurhistoricus Bernard Germain de Lacépède gaf de soort in 1799 de naam Hamster nigricans. De Duitse zoöloog Johann Matthäus Bechstein maakte in 1801 een onderscheid tussen drie kleurvarianten, te weten, Mus cricetus variegatus, Mus cricetus albus en Mus cricetus fulvus. In 1803 gaf de Franse natuurhistoricus Étienne Geoffroy Saint-Hilaire Cricetus vulgaris aan exemplaren uit Noord- en Oost-Europa. De Pruisische natuurhistoricus Peter Simon Pallas gaf in 1811 ter vervanging van de naam van Linnaeus de soort Cricetus frumentarius. Ook de Oostenrijkse zoöloog Leopold Fitzinger maakte een onderscheid tussen verschillende kleurvariëteiten die hij respectievelijk Cricetus vulgaris varius, Cricetus vulgaris albus en Cricetus vulgaris niger noemde. In 1871 beschreef de Russische zoöloog Modest Bogdanov Cricetus frumentarius niger, die niet was gebaseerd op de naam van Kerr. John Edward Gray gaf de hamster in 1873 de naam Heliomys jeudei, een eerbetoon aan de Utrechtse hoogleraar Theodorus Willem van Lidth de Jeude. De eerste keer dat de huidige wetenschappelijke naam Cricetus cricetus voor het eerst gebruikt werd was in 1894 door de Duitse zoöloog Friedrich Dahl. In 1899 maakte de eveneens Duitse zoöloog en paleontoloog Alfred Nehring een onderscheid tussen twee vormen, Cricetus vulgaris var. canescens van de linker Maasoever in België en Cricetus vulgaris var. rufescens nabij de Oeral. De Duitse zoöloog Paul Matschie meende dat een populatie uit Roemenië voldoende verschilde om ze als aparte soort te beschouwen, vernoemde die in 1901 naar Nehring en creëerde zo de naam Cricetus nehringi. Nehring beschreef in 1903 dieren waarvan hij veronderstelde dat die afkomstig waren uit Irak en noemde die Cricetus vulgaris babylonius, maar daar komen geen hamsters voor en het is waarschijnlijk dat deze exemplaren ten noorden van de Kaukasus zijn verzameld. In 1906 onderscheidde Heinrich Simroth dieren uit Duitsland die hij de naam Cricetus vulgaris niger gaf. Konstantin Satunin beschreef in 1907 dieren uit de omgeving van Stavropol en noemde die Cricetus vulgaris stavropolicus. Als gevolg van een drukfout in 1908 maakte hij de combinatie Cricetus vulgaris stawropolicus, terwijl in een publicatie van Richard Lydekker uit 1909 door een drukfout Cricetus vulgaris stauropolicus tot stand kwam. Gerrit Smith Miller Jr. stelde een onjuiste verbetering voor van de naam van Gray en maakte daarmee Heliomys jeudei in 1912. Leonid Krulikovsky, een Russische vlinder-specialist, stelde in 1915 voor de naam van Bogdanov te vervangen door Cricetus frumentarius polychroma. De eveneens uit Rusland afkomstige Sergej Ognjov meende in 1922 dat de populatie rondom Samara onderscheiden moest worden en maakte daarom de naam Cricetus cricetus latycranius. In 1924 voegde hij daar Cricetus cricetus tauricus van de Krim en Cricetus cricetus tomensis rondom Tomsk aan toe. Anatoly Argiropulo beschreef in 1932 Cricetus cricetus fuscidorsis uit Oekraïne. In 1934 corrigeerde A. Wepner te onrechte de naam van Nehring tot Cricetus babylonicus en in een publicatie van V.A. Popov uit 1960 wordt een fout gemaakt in de naam van Krulikovski waarmee de combinatie Cricetus polychromata is ontstaan. In een publicatie over de fauna van de Sovjet-Unie uit 1963 van I.M. Gromov, A.A. Gureev, G.A. Novikov, I.I. Sokolov, P.P. Strelkov en K.K. Chapskiy wordt de naam van Ognov ten onrechte verbeterd tot Cricetus cricetus laticranius. Tot slot stelt K. Neumann in 2023 tijdens een conferentie over de Europese hamster nog de naam Cricetus cricetus pannonicus voor, maar zonder deze te beschrijven zodat er sprake is van een zogenoemde nomen nudum. De hamster wordt ingedeeld bij de orde Knaagdieren, onderorde Myomorpha, superfamilie Muroidea, familie Cricetidae en onderfamilie Cricetinae. De hamster is de enige soort die wordt gerekend tot het geslacht Cricetus. Er worden tussen drie en elf ondersoorten onderscheiden.[2]
Naamgeving
Cricetus is afgeleid van het Italiaanse woord criceto voor hamster, mogelijk afkomstig van het Oudgriekse κϱιξω hetgeen "ik schreeuw" betekent. Het Duitse woord hamster is afkomstig van het Oudslavische hamustro of hamestro.[2] In het Limburgs dialect wordt de hamster korenwoof genoemd. Dat koren slaat op zijn voedsel en woof of wouf is een bijnaam voor iemand die erg inhalig is (letterlijk: "wolf"). Het is duidelijk dat dit dier een korenhamsteraar is. In het Nederlands is dit letterlijk vertaald als korenwolf.
Verspreiding
De hamster is van oorsprong een steppebewoner. Met de opkomst van de landbouw breidde zijn leefgebied zich echter meer naar het westen uit, omdat de landbouw de wilde hamster aantrok en hij dit landbouwgebied volgde. De hamster komt voor in Europa en Azië over een gebied van 5500 km2, ongeveer tussen 45° en 60° noorderbreedte en tussen 5° en 95° oosterlengte. De westelijke grens van zijn verspreidingsgebied ligt aan de linkeroever van de Rijn, de noordelijke grens loopt door België, Nederland, Noord-Duitsland en Polen, en verder oostwaarts door zuidelijk Belarus, het noorden van Europees Rusland en zuidwestelijk Siberië. De oostelijke grens ligt aan de rechteroever van de Jenisej, van Krasnojarsk tot Beja. De zuidelijke grens wordt ruwweg bepaald door de Alpen, de Donau, de Zwarte Zeekust en de Kaukasus, en verder oostwaarts doorkruist het noordelijk Kazachstan, buigt af naar het zuiden richting het Balkasjmeer en omvat Zevenstromenland, de uitlopers van het Altai-, Tiensjan- en Sajangebergte en het noordwesten van Xinyang. Hamsters komen in geïsoleerde populaties voor in het noordoosten van Frankrijk, Wallonië, Zuid-Limburg en delen van Duitsland en Polen. Hamsters komen voor van zeeniveau tot op een hoogte van 650 meter.[1][2][4][5]
Nederland
In Nederland komt de soort enkel voor in Zuid-Limburg, maar de soort werd daar bedreigd. Aldaar wordt de soort korenwolf genoemd; deze benaming is inmiddels in heel Nederland gangbaar voor de wilde hamster. Stichting Das & Boom en Diergaarde Blijdorp hebben samen de laatste zestien korenwolven weggevangen en zijn met deze dieren en twaalf andere uit Duitsland en België een fokprogramma gestart.[6] In 2005 is Das & Boom met het fokken gestopt en zijn de resterende dieren verhuisd naar de GaiaZOO in Kerkrade. Meer dan 900 hamsters zijn in de loop van het programma uitgezet in Zuid-Limburg. Dieren die in Nederland in het wild worden gezien, zijn zeer waarschijnlijk nakomelingen van hamsters uit dit fokprogramma.
België
In België (in het zuiden van de provincies Vlaams-Brabant en Limburg) stond de wilde hamster ook op uitsterven en daarom heeft het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) van de Vlaamse overheid in 2007 en 2008 hamsters uit het Nederlands kweekprogramma bijgezet op de twee locaties waar ze zeker nog voorkwamen. In 2011 beschouwde Natuurpunt de aantallen echter nog steeds als teruglopend. In 2015 was de wilde hamster praktisch uitgestorven. Enkel in Widooie, een deelgemeente van Tongeren leven nog een dertigtal wilde hamsters. De Vlaamse regering trok in 2011 een groot bedrag uit voor het behoud van de hamster. In 2016 werd door de minister van Leefmilieu 600.000 euro vrij gemaakt,[7][8] en in 2018 kwam 800.000 euro beschikbaar om te voorkomen dat de soort in Vlaanderen uitsterft.[9] Een groot deel van het budget gaat naar een kweekprogramma dat samen met Nederland werd opgezet. Andere kosten zijn een vergoeding voor betrokken landbouwers en kosten voor coördinatie, wetenschappelijk onderzoek en opvolging.
Gedrag
De hamster is een solitaire soort die een gangenstelsel graaft dat uit meerdere tunnels en kamers bestaat. Ze maken de grond los door te graven met hun voorpoten en snijtanden, vegen het materiaal weg met hun achterpoten en duwen de aarde opzij met hun achterlijf. Typische holen bestaan uit 1-3 kamers (nest, voorraadkamer, toilet), een schuine tunnel en een of meer verticale tunnels. Door hun gravende activiteiten neemt de complexiteit van een hol toe met de leeftijd en de duur van de bewoning. De diameters van de tunnels (cm) zijn 7-10 (volwassen mannetjes), 6-9 (volwassen vrouwtjes) en 4-7 (jonge hamsters).[2] Dit netwerk kan tot twee meter diep zitten, en de gangen kunnen soms behoorlijk steil zijn, waardoor hij snel kan verdwijnen bij gevaar. De nesten zijn vaak bedekt met gras, hooi en ander zacht materiaal. 's Avonds en 's nachts wordt een hamster actief en komt de hamster uit zijn hol om te eten. Hij eet vooral zaden, grassen en kruiden, maar ook wortelen, vruchten en granen en dierlijk voer als insecten, slakken, wormen, en zelfs kikkers, muizen en jonge vogels. Het voedsel bewaart hij in zijn wangzakken en neemt het mee naar zijn voedselvoorraden. Daar leegt hij zijn wangzakken met zijn voorpoten. Bij gevaar (vooral vossen) zet de gewone hamster zijn wangzakken op en maakt hij dreigende geluiden. In gevangenschap kan een hamster ook van die geluiden maken. Dat doet hij vooral als hij zich bedreigd voelt. De hamster gaat dan bijten, krabben en krijsen of piepen.
Torpor
Als de herfst komt, dicht hij alle uitgangen met aarde. 's Winters, van oktober tot april, bevindt de hamster zich in een toestand van slaap. Dit wordt torpor genoemd. Hierbij laat de hamster zijn lichaamstemperatuur herhaaldelijk tot vlak boven het vriespunt dalen. Wanneer de temperatuur een minimumwaarde bereikt ontwaakt de hamster en wordt de lichaamstemperatuur tot op een zekere hoogte opgeschroefd. Tijdens deze korte periodieke onderbrekingen van de slaap, eten hamsters van de opgeslagen voedselvoorraad.[4][5][10] Na de winterslaap breekt de paartijd aan. Hierbij dringen de mannetjes binnen in de territoria van de vrouwtjes, waar ze na de paartijd direct weer worden uitgejaagd.
Voedsel
De hamster is omnivoor, maar voornamelijk vegetarisch. De maaginhoud van dieren die op boerderijen in Polen werden gevangen, bestond voor 82% uit plantaardig materiaal (granen en groene delen van tarwe, klaproos, maïs, klaver, koolzaad, bieten, aardappelen, luzerne) en voor 13% uit dierlijk materiaal (regenwormen, slakken, insecten, kikkers, hagedissen, grondbroedende vogels, knaagdieren). In een overbevolkte populatie in Slowakije bevatte een derde van de magen dierlijk materiaal. In gevangenschap consumeerden hamsters gemiddeld ongeveer 6,75 g maïs en 5,5 g luzerne per 100 g lichaamsgewicht per dag. Hamsters leggen voedselvoorraden aan voor ongeveer 90 dagen voordat ze in de herfst tevoorschijn komen. In Oost-Slowakije werden voorraden opgegraven met een inhoud van maximaal 5 kg granen (maïs, tarwe, gerst) en wortels (suikerbiet, zuring, havikskruid, paardenbloem). Hamsters in gevangenschap hoeven niet te drinken als ze vers fruit en verse groenten krijgen aangeboden. Het kan tot wel een maand overleven op aan de lucht gedroogd voedsel. In West-Siberië concurreren hamsters om voedsel met verschillende andere zoogdiersoorten, waaronder hazen, grondeekhoorns, springmuizen en andere muizen. In de buitenwijken van Wenen verjaagden bruine ratten hamsters.[2]
Relatie met andere diersoorten
De hamster maakt deel uit van het dieet van 24 soorten roofvogels en 12 soorten vleesetende zoogdieren, waaronder verwilderde honden en katten. De verspreidingsgebieden van de steppebunzing en de gevlekte bunzing worden bepaald door de aanwezigheid van prooidieren zoals hamsters en diverse andere middelgrote steppeknaagdieren. In hamsterholen in Polen werden soorten uit negen ongewervelde orden aangetroffen: pissebedden, spinnen, mijten, dipluren, springstaarten, vliesvleugeligen, kevers, vliegen en tripsen.[2]
Voortplanting
De eierstokken worden actief tegen het einde van de winterslaap, waardoor de voortplantingsperiode kort na het ontwaken van de vrouwtjes kan beginnen. De eerste paringen vinden plaats in april (zelden in maart). De hamster is promiscue in die zin dat mannetjes strijden om toegang tot ontvankelijke vrouwtjes, en vrouwtjes paren met meerdere mannetjes, waarbij tot wel drie mannetjes jongen in hetzelfde nest kunnen verwekken. In gevangenschap paarden ontvankelijke vrouwtjes vaker met grotere mannetjes dan met kleinere, terwijl mannetjes meestal de voorkeur gaven aan kleinere en wendbare vrouwtjes. Het uitgebreide baltsgedrag vóór en tussen de paringen omvat vele toenaderingen en achtervolgingen door beide geslachten. Het vrouwtje rent vaak in achtjes, op de voet gevolgd door het mannetje, dat steeds luider wordende paringsroepen laat horen. Wanneer ze stopt, vindt de paring plaats, bestaande uit het bestijgen, penetratie, orgasme en samen op de zij vallen. Na de paring rent het vrouwtje weer weg, met het mannetje in haar kielzog. Wanneer het mannetje uitgeput raakt, stimuleert het vrouwtje hem door aan zijn vacht te trekken en te bijten. Deze serie gedragingen kan 3 tot 6 keer worden herhaald. Daarna kunnen de twee samen rusten en verzorgen soms elkaars vacht. De periode eindigt met het krimpen van de testikels en de laatste bevallingen vinden plaats in augustus (zelden in september). De zaadcellen hebben spitse, asymmetrische koppen, een kenmerk dat typisch is voor muizen. De draagtijd duurt 17-21 dagen. Tijdens de bevalling neemt het vrouwtje een gedeeltelijk rechtopstaande, tweebenige houding aan. Ze helpt bij de geboorte met haar tanden, bevrijdt elk jong uit de vruchtzak en bijt de navelstreng door. Een vrouwtje bracht 10 jongen ter wereld in 38 minuten, waarbij ze het nest twee keer verliet. In het wild variëren de worpen van 3 tot 15 jongen. Vrouwtjes kunnen tot drie worpen per jaar produceren. Voortplantingsvrouwtjes die vroeg in het voorjaar ontwaken, produceren meer worpen en meer nakomelingen per seizoen dan vrouwtjes die later in het voorjaar ontwaken. In Europa kregen vrouwtjes vóór 1986 meer en grotere nesten dan na 1995. Na 14 dagen gaan de ogen open en kunnen de jongen het nest verlaten. Na 18 dagen worden de jongen gespeend. Vrouwtjes die met succes drie nesten grootbrengen, spenen hun laatste jongen in september. De vrouwtjes zijn geslachtsrijp na 43 dagen, waardoor jongen uit de eerste worp vaak nog in hetzelfde jaar kunnen voortplanten.[2]
Relatie met de mens

De afname van de populatie is historisch gezien waarschijnlijk gedeeltelijk veroorzaakt door de pelsjacht. Tot ver in de 20e eeuw werden er jaarlijks honderdduizenden hamsterpelzen verkocht. Verder werd de soort bestreden vanwege de schade die werd veroorzaakt aan het gewas. Andere oorzaken van de achteruitgang zijn waarschijnlijk klimaatverandering en rationalisering van de landbouw. De hamster werd in 1971 in Duitse medische laboratoria geïntroduceerd als een potentieel geschikt model voor onderzoek naar longkanker bij de mens, en in de jaren 2000 in Frankrijk als een opkomend model voor biomedisch onderzoek, zoals neurologie en neuro-endocrinologie.[2]
Externe link
- Kaarten met waarnemingen:
- 1 2 (en) Hamster op de IUCN Red List of Threatened Species.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 Boris Kryštufek, Ilse E. Hoffmann, Nedko Nedyalkov, Alexandr Pozdnyakov en Vladimir Vohralík (2020). Cricetus cricetus (Rodentia: Cricetidae). Mammalian Species 52 (988): 10–26.
- ↑ Linnaeus, Carl (1758). Systema naturae ed. 10: 60. Gearchiveerd op 4 april 2023.
- 1 2 (ru) Karlik, F.A. (2009). Cricetus cricetus L. - Obyknovenny chomjak. Geraadpleegd op 15 februari 2016. Gearchiveerd op 12 augustus 2016.
- 1 2 (ru) Demjantsjik, V.T. (2006). Obyknovenny chomjak. Geraadpleegd op 15 februari 2016.
- ↑ Diergaarde Blijdorp Korenwolf
- ↑ Natuurpunt trekt aan alarmbel over hamster. Natuurpunt (15 september 2011). Geraadpleegd op 16 september 2011.
- ↑ TVL - Tomas Vandenreyt - De laatste wilde hamsters in ons land leven in Tongeren - 9 augustus 2016. Gearchiveerd op 17 augustus 2022.
- ↑ "Vlaamse wilde hamster met uitsterven bedreigd" in De Standaard, 29 augustus 2017. Gearchiveerd op 20 januari 2022.
- ↑ (en) Wollnik F. & Schmidt, B. (1995). Seasonal and daily rhythms of body temperature in the European hamster (Cricetus cricetus) under semi-natural conditions. Geraadpleegd op 15 februari 2016.








